Homeopathie

De wortels van de homeopathie gaan ver terug in de geschiedenis. De ‘vader van de geneeskunde’, de Griekse arts Hippocrates (460-370 voor Christus) haalde de geneeskunde uit de sfeer van de tempelgeneeskunde en zocht naar wetenschappelijke verklaringen en behandelwijzen voor ziekte. Hij beschreef naast het ‘contraria-principe’, wat de basis is voor de huidige geneeskunde, ook als eerste het principe van homeopathie ‘Similia similubus curentur’, wat staat voor het fenomeen: ‘het gelijke met het gelijkende genezen’, de grondslag voor de homeopathie.

De Duitse arts en chemicus Samuel Hahnemann (1755-1843) legde eeuwen later het fundament onder het geneeskundig systeem van de homeopathie. De naam die hij deze geneeswijze gaf, stamt af van het Oud Griekse ‘homoios’ = gelijksoortig en ‘pathos’ = lijden/ziekte. Hahnemann ontdekte dat stoffen die symptomen konden produceren in een gezond individu, een ziek persoon die dezelfde symptomen heeft, kon genezen.

Hij heeft tal van geneesmiddelproeven gedaan, waarbij de hindernis van soms giftige stoffen als uitgangsmateriaal moest worden genomen. Na experimenten hiermee ontdekte hij het potentiëringsproces. Door een systematisch verdunnen en schudden van de stof verloor het zijn giftigheid, maar nam de geneeskrachtige werking paradoxaal genoeg juist toe. En dat gold ook voor niet giftige stoffen. In grote en hoge mate verdunde stoffen bleken juist een effectieve, geneeskrachtige werking op het lichaam te hebben en tot snelle, bijna onopmerkzame genezing te leiden. De sleutel tot het succes van de homeopathie.